Publicatie Veranderingen in genexpressie en apoptose in een glioblastoomcellijn bij verschillende blootstellingsduur aan radiofrequenties

Ontdek alle publicaties

Publicatie - Gezondheid

Tuysuz MZ, Kayhan H, Saglam ASY, Senturk F, Bagriacik EU, Yagci M, Canseven AG.

In deze studie gaan de onderzoekers uit van de vaststelling dat het bijzonder belangrijk is om na te gaan of de hersenen effecten ondervinden van blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden (RF-EMV). De hersenen bevinden zich namelijk dicht bij de velden die worden uitgezonden bij het gebruik van een standaard mobiele telefoon. Het onderzoeksteam wilde daarom de mogelijke effecten onderzoeken van blootstelling van hersencellen aan een hoeveelheid straling vergelijkbaar met de straling uitgezonden door een mobiele telefoon.

Om deze vraag te beantwoorden, hebben ze een in vitro-onderzoek (in het laboratorium) uitgevoerd. In dit onderzoek hebben ze hersencellen blootgesteld aan RF-EMV met een frequentie van 2,1 GHz gedurende verschillende tijdsperioden (1 uur, 24 uur en 48 uur). Vervolgens beoordeelden zij of deze blootstelling al dan niet een effect had op de levensvatbaarheid van de cellen (het aantal gezonde cellen), apoptose, d.w.z. geprogrammeerde celdood, en de expressie van genen die een rol spelen bij apoptose.

Het blootstellingssysteem dat zij hadden opgezet, zorgde ervoor dat de cellen uitsluitend werden blootgesteld aan RF-EMV van 2,1 GHz en dat een reeks omgevingsfactoren kon worden gecontroleerd. Concreet bestond het systeem uit een doos met een aluminium buitenlaag en een ventilator aan één kant. Het aluminium fungeert als een schild tegen externe radiofrequentiebronnen en beperkt het doorlaten van externe RF-EMV. Het blootstellingssysteem zelf werd in een oven geplaatst waarin de omgevingsomstandigheden die nodig zijn voor het overleven van de cellen konden worden gecontroleerd, namelijk een temperatuur van 37°C, een CO2-gehalte van 5% en een vochtigheidsgraad van 95%. De ventilator diende om de doos te ventileren. Een zendantenne van 2,1 GHz en de cellen werden in dit blootstellingssysteem geplaatst.

Om de hoeveelheid door de cellen geabsorbeerde RF-EMV-energie te meten, berekenden de onderzoekers de SAR, een meeteenheid die wordt uitgedrukt in watt per kilogram (W/kg). Deze werd berekend op basis van de intensiteit van de door de antenne uitgezonden RF-EMV, maar ook op basis van de specifieke eigenschappen van de verschillende materialen waaruit het blootstellingssysteem bestaat. Op basis van deze berekeningen werd geschat dat alle cellen in het blootstellingssysteem dezelfde SAR-intensiteit ontvingen.

Het onderzoeksteam stelde hersencellen bloot aan 2,1 GHz-RF-EMV met een SAR van 1,12 W/kg. De cellen werden in vier groepen verdeeld:

  • groep [1u]: Deze celgroep werd gedurende 1 uur blootgesteld aan RF-EMV;
  • groep [24u]: Deze groep werd gedurende 24 uur blootgesteld aan RF-EMV;
  • groep [48u]: Deze celgroep werd gedurende 48 uur blootgesteld aan RF-EMV;
  • schijngroep: Deze groep werd onder dezelfde omstandigheden geplaatst als de eerste drie groepen, met uitzondering van het blootstellingssysteem, dat was uitgeschakeld. Dit zorgt ervoor dat een eventueel verschil tussen de groepen toe te schrijven is aan de blootstelling en niet aan een andere parameter binnen de testomgeving die tussen de groepen zou verschillen.

De experimenten werden blind uitgevoerd: de personen die verantwoordelijk waren voor de blootstelling van de cellen waren niet dezelfde als de personen die verantwoordelijk waren voor de analyse van de resultaten, waardoor de objectiviteit van de onderzoekers die de resultaten moesten evalueren, gewaarborgd was.

De temperatuur werd tijdens het onderzoek gecontroleerd met behulp van een infraroodthermometer.

Het onderzoeksteam analyseerde vervolgens drie elementen:

  • de levensvatbaarheid van de cellen, d.w.z. het feit dat de cellen gezond, volledig functioneel en onbeschadigd waren;
  • het percentage cellen in apoptose, d.w.z. geprogrammeerde celdood; dit is een natuurlijk en volkomen normaal verschijnsel dat tot doel heeft beschadigde cellen te verwijderen;
  • de expressie van apoptose-genen: dat wil zeggen het feit dat de eiwitten die verantwoordelijk zijn voor het mechanisme van geprogrammeerde celdood al dan niet in de cellen aanwezig zijn.

De onderzoekers stelden vast dat de groepen die gedurende 1 uur en 24 uur waren blootgesteld, geen verschil vertoonden in termen van levensvatbaarheid van de cellen of apoptose in vergelijking met de schijngroep. De groep die 48 uur lang werd blootgesteld, vertoonde daarentegen een verminderde levensvatbaarheid en een hoger aantal cellen in apoptose dan de schijngroep.

Wat betreft de aanwezigheid en het aantal eiwitten die verband houden met apoptose, constateerden de onderzoekers geen verschil tussen de groep die 1 uur lang werd blootgesteld en de schijngroep. Ze stelden echter wel vast dat deze eiwitten twee keer zo talrijk waren in de groep die 24 uur lang was blootgesteld als in de schijngroep en dat hun aantal nog verder toenam in de groep die 48 uur lang was blootgesteld.

Concluderend leken de waargenomen effecten van RF-EMV op hersencellen te variëren naargelang de duur van de blootstelling.

Deze studie toont een strenge controle van de blootstellingsomgeving aan, met herhaalde temperatuurmetingen, waardoor de waargenomen effecten kunnen worden toegeschreven aan de blootstelling en niet aan een mogelijke temperatuurschommeling. De SAR werd berekend, waardoor een goed beeld kan worden verkregen van de energie van de RF-EMV die door de blootgestelde cellen wordt geabsorbeerd. Bovendien maakt de aanwezigheid van een schijngroep het mogelijk om de waargenomen effecten toe te schrijven aan de blootstelling en niet aan andere factoren in de omgeving van de cellen. Ook zijn de experimenten blind uitgevoerd, waardoor een subjectieve interpretatie van de resultaten wordt voorkomen. Ten slotte beschrijft het artikel de studie zeer gedetailleerd, waardoor andere onderzoeksteams het experiment zo goed mogelijk kunnen reproduceren, waardoor de resultaten vergelijkbaar zijn met deze.

De auteurs benadrukken de complexiteit van de interacties tussen RF-EMV en biologische weefsels en concluderen dat er nog veel moet worden onderzocht om ons begrip ervan te verbeteren. De resultaten van deze studie zijn interessant, maar op basis daarvan kan nog geen oorzakelijk verband worden gelegd tussen blootstelling aan RF-EMV en de onderzochte effecten. De studie moet door andere laboratoria worden gereproduceerd en de gegevens moeten worden gebundeld in grotere studies, zoals meta-analyses, om de werkelijke impact van RF-EMV op hersencellen te kunnen beoordelen.