Publicatie Opsporing van biomarkers ter verklaring van idiopathische omgevingsintolerantie door elektromagnetische velden (IEI-EMV): beïnvloedt de blootstelling aan RF-EMV de respons van speekselcortisol?

Ontdek alle publicaties

Publicatie - Gezondheid

Verrender A., Manley J., Wallace N.K., Loughran S.P., Croft R.J.

Idiopathische omgevingsintolerantie door elektromagnetische velden (IEI-EMV) wordt ook wel elektrohypersensitiviteit genoemd (EHS). Het syndroom gaat gepaard met symptomen die patiënten associëren met hun blootstelling aan bronnen van elektromagnetische velden (EMV), wegens afwezigheid van een andere pathologie die de symptomen kan verklaren. Talrijke epidemiologische en experimentele studies die tot nu toe zijn uitgevoerd, hebben echter niet kunnen aantonen dat EMV rechtstreeks verantwoordelijk waren voor de gemelde symptomen. Een hypothese die vaak naar voren gebracht wordt, is die van het nocebo-effect: de symptomen zouden zich niet ontwikkelen door de blootstelling zelf, maar als reactie op de perceptie van blootgesteld te worden en de angst die dat kan veroorzaken. Verschillende studies hebben echter aangetoond dat blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden (RF-EMV) binnen de blootstellingslimieten van de ICNIRP (2020) kleine variaties in lichaamstemperatuur kan veroorzaken. Een toename van de lichaamstemperatuur is in laboratoriumexperimenten ook in verband gebracht met de cortisolniveaus. Hierdoor is het mogelijk dat de blootstelling aan RF-EMV een impact heeft op de cortisol, een hormoon dat het lichaam aanmaakt als reactie op stress. De symptomen gemeld door personen met elektrohypersensitiviteit zouden het gevolg kunnen zijn van gewaarwordingen in verband met die reactie van het lichaam, en mogelijk versterkt worden door het nocebo-effect.

Hoewel eerdere studies over het algemeen geen effect op de cortisol konden vaststellen door blootstelling aan RF-EMV, vertoonden die studies ook een aantal methodologische beperkingen. Deze studie was dan ook specifiek opgezet om op dat vlak verbetering te brengen en om na te gaan of de blootstelling aan RF-EMV het cortisolgehalte in speeksel kan verhogen, alsook om te testen op mogelijke genderverschillen.

In totaal werden 72 deelnemers (onder wie 48 vrouwen) geselecteerd via onlinezoekertjes, op de universiteitscampus van het Australische Wollongong en via mond-tot-mondreclame. Dit waren de criteria voor deelname aan de studie: tussen 18 en 55 jaar oud zijn, goed Engels spreken, gezond zijn, niet deelgenomen hebben aan een eerdere studie over het onderwerp, geen behandeling krijgen (behalve anticonceptiepillen), geen ziekte hebben en geen illegale stoffen gebruiken. Aan de deelnemers werd ook gevraagd om geen cafeïne te consumeren, gedurende één uur vóór de test niet te eten of te drinken, gedurende acht uur vóór de test geen alcohol te consumeren, gedurende twee uur vóór de test niet te telefoneren en de nacht ervoor te zorgen voor een goede nachtrust.

Na hun selectie werden de deelnemers willekeurig onderverdeeld in twee groepen. De eerste groep werd eerst blootgesteld aan RF-EMV en kreeg daarna een schijnblootstelling. Bij de tweede groep was het net andersom: eerst de schijnblootstelling en daarna de RF-EMV. Voor de blootstelling aan RF-EMV specificeerden de onderzoekers de gebruikte specifieke absorptiesnelheid (SAR): 2 Wkg. De SAR is de eenheid voor de hoeveelheid radiofrequente energie die het lichaam absorbeert tijdens blootstelling aan RF-EMV. Een 'schijnblootstelling' betekent dat de omstandigheden voor de deelnemers identiek zijn als bij de blootstelling aan RF-EMV. Alleen is het blootstellingssysteem niet ingeschakeld. Dat zorgt ervoor dat een eventueel verschil tussen de blootgestelde en niet-blootgestelde groep te maken heeft met de blootstelling, en niet met een andere parameter binnen de testomgeving die zou verschillen tussen beide groepen.

De onderzoekers baseerden zich voor hun onderzoek op het protocol dat ze in hun vorige studies hadden gebruikt (zie bijvoorbeeld Verrender et al. (2018)). Het protocol omvatte een drie uur durende reeks tests in de namiddag (door normale dagelijkse schommelingen in de cortisolniveaus is het belangrijk om alle tests tegelijkertijd uit te voeren), verdeeld over verschillende fasen:

  • Verwelkoming van de deelnemer, invullen van vragenlijsten (21 minuten).
  • Een video bekijken die geen verband hield met de studie, waarin een astrofysicus vragen beantwoordde over het universum (25 minuten).
  • RF-EMV-blootstellingsprotocol van 45 minuten: 5 minuten rust (met om te beginnen een speekselafname om het cortisolniveau te meten vóór de blootstelling), gevolgd door 15 minuten blootstelling of schijnblootstelling, en vervolgens 25 opnieuw minuten rust (met meteen daarna speekselafname voor de metingen na de blootstelling – een dergelijke periode is noodzakelijk om eventuele cortisolverschillen vast te stellen).
  • Doorgaan met het bekijken van de video.
  • Nieuwe fase van het blootstellingsprotocol, op dezelfde manier als de eerste fase, maar dan omgekeerd (blootstelling of schijnblootstelling).
  • Invullen van vragenlijsten (2 minuten).

De blootstelling van de vrijwilligers gebeurde dubbelblind (noch de onderzoekers noch de deelnemers wisten of het om een echte of een schijnblootstelling ging) om elke invloed, zelfs onbedoeld, op de resultaten te vermijden). Bij de echte blootstelling werden RF-EMV van 920 MHz gebruikt, zoals door mobiele telefoons in de gespreksmodus worden uitgezonden. Tijdens het experiment werden de perceptie van de blootstelling (systeem aan of uit) en de symptomen van de deelnemers geëvalueerd met behulp van vragenlijsten. Tijdens fase 1, 2, 4 en 6 werd ook het angstgevoel gemeten aan de hand van een vragenlijst. Het doel was om na te gaan of het ervaren stressniveau de verkregen resultaten mogelijk had beïnvloed, aangezien cortisol wordt aangemaakt als reactie op stress.

Uit het onderzoek bleek geen effect op de cortisolconcentratie in speeksel door de blootstelling aan RF-EMV en er kwamen evenmin verschillen naar voren tussen het geslacht van de deelnemers. Gezien de voorzorgsmaatregelen bij de implementatie van het protocol wijzen die resultaten er volgend de onderzoekers sterk op dat de blootstelling aan RF-EMV geen invloed heeft op de stressrespons, gemeten op basis van het cortisolniveau in het speeksel.

Deze studie is van goede kwaliteit. De onderzoekers hebben de kwaliteitscriteria voor experimentele studies bij de mens gerespecteerd (blinde proeven, blootstellingsinformatie (bijv. SAR) enz.). Ze wijzen er echter op dat het ontbreken van strikte controle van de omgevingstemperatuur een beperking vormt voor hun studie. Het is dan ook mogelijk dat kleine schommelingen de resultaten beïnvloed hebben, ook al lag de temperatuur in het laboratorium (ongeveer 22 °C) ver onder een niveau dat de lichaamstemperatuur kon veranderen. Eerder onderzoek suggereert echter dat een nauwkeurige temperatuurcontrole nuttig kan zijn om kleine effecten van RF-EMV op het lichaam te detecteren.

De resultaten kunnen ook niet geëxtrapoleerd worden naar de algemene bevolking, aangezien de deelnemers allemaal jong en gezond waren, wat niet noodzakelijk het geval is voor wie aangeeft elektrohypersensitiviteit te ervaren. Tot slot wordt in het protocol van deze studie alleen rekening gehouden met een kortdurende blootstelling (15 minuten), met slechts één type blootstelling en niet met de latentietijd bij het ontstaan van symptomen. In een recente Belgische studie is geprobeerd om rekening te houden met die parameters, maar de resultaten toonden geen verband tussen de blootstelling aan EMV en de gerapporteerde symptomen.

De onderzoekers stellen voor om in toekomstige studies eerder te focussen op het begrijpen van de lichamelijke reacties op de blootstelling dan op de vergelijking met de ervaren symptomen. Het is mogelijk dat kleine veranderingen in de normale werking van het lichaam ervaren worden als fysieke gewaarwordingen, wat de moeite is om verder te bestuderen.