Hiertoe heeft het onderzoeksteam een klein deel van de rattenhuid blootgesteld aan die qMMW van 26,5 GHz met verschillende intensiteiten van geabsorbeerde vermogensdichtheden (APD of Absorbed Power Density in het Engels, een meeteenheid waarmee de blootstelling aan hoogfrequente RF-EMV (boven 6 GHz) kan worden geëvalueerd, uitgedrukt in watt per vierkante meter). 61 mannelijke ratten van 8 tot 9 weken oud werden verdeeld in 4 groepen met verschillende blootstellingsniveaus:
- groep 250 W/m2: deze groep van 12 ratten werd gedurende 18 minuten blootgesteld aan een APD van 250 W/m2;
- groep 370 W/m2: deze groep van 14 ratten werd gedurende 18 minuten blootgesteld aan een APD van 370 W/m2;
- groep 500 W/m2: deze groep van 17 ratten werd gedurende 18 minuten blootgesteld aan een APD van 500 W/m2;
- groep 0 W/m2 of schijn: deze groep van 15 ratten werd gedurende 18 minuten blootgesteld aan een APD van 0 W/m2. Dit is de zogenaamde schijngroep, dat wil zeggen dat de ratten zich in dezelfde omgeving bevonden als de andere groepen, maar ze werden niet blootgesteld aan 26,5GHz-qMMW. Die techniek zorgt ervoor dat als een verschil wordt waargenomen, dit kan worden toegeschreven aan de blootstelling en niet aan een ander element van de blootstellingsomgeving;
- controlegroep: deze groep van 3 ratten werd niet blootgesteld aan 26,5GHZ-qMMW, en bevond zich in een kooi, niet in dezelfde omgeving als de blootgestelde groepen en de schijngroep. Deze groep dient als basisreferentie en maakt het mogelijk vergelijkingen te maken met ratten die in hun gebruikelijke omgeving worden gelaten.
Het blootstellingssysteem bestond uit een zendantenne van 26,5GHZ-qMMW die op 1 cm van het huidoppervlak van de ratten werd geplaatst. De ratten waren geschoren op de rug en verdoofd vóór de blootstelling. De temperatuur werd gemeten in het doelgebied tijdens de blootstelling met behulp van een glasvezelthermometer, waarbij de sonde in contact kwam met het blootgestelde huidoppervlak.
Het onderzoeksteam voerde vervolgens drie soorten analyses uit:
- histologische analyses, d.w.z. dat de onderzoekers dunne stroken van rattenhuid onder een microscoop observeerden. Het doel van deze analyse was om mogelijke veranderingen in de verschillende lagen van de huid (epidermis, derma, enz.) te observeren. Deze waarnemingen werden 24 uur en 72 uur na de blootstelling gedaan. Vier onafhankelijke onderzoekers bestudeerden elk twee huidstroken per rat met behulp van de zogenaamde “blinde” methode. Dit betekent dat ze tijdens hun observaties niet wisten of de te analyseren huid al dan niet was afgenomen bij een blootgestelde rat en welke intensiteit die blootstelling had. Deze techniek maakt het mogelijk om “a priori” biases te vermijden, dat wil zeggen de vooroordelen van onderzoekers over de RF-EMV en hun invloed op de interpretatie van resultaten, zelfs onvrijwillig.
Na afloop van deze analyse:
- hebben de onderzoekers geen verschil waargenomen tussen de schijngroep, de groep van 250 W/m2, de groep van 370 W/m2 en de controlegroep, of het nu 24 uur of 72 uur na blootstelling was;
- hebben de onderzoekers hebben voor de groep van 500 W/m2 geobserveerd dat de huid beschadigd was door verwondingen gelijkaardig aan brandwonden (blaren, verdikking van de huid, zwelling onder de huid…). Deze effecten waren allemaal aanwezig 24 uur na de blootstelling, en sommige waren zelfs meer uitgesproken 72 uur na de blootstelling.
- identificatie van ontstekingsmarkers, d.w.z. dat de onderzoekers de aanwezigheid controleerden van eiwitten (de arbeiders van het lichaam) die een rol spelen bij de ontsteking. Een ontsteking is een reactie van het menselijk lichaam op agressie zoals een brandwond, infectie of snee.
Na afloop van deze analyse:
- hebben de onderzoekers lage niveaus van ontstekingsgerelateerde eiwitten waargenomen in de groepen van 250 W/m2
en 370 W/m2;
- observeerden de onderzoekers hogere percentages van verschillende ontstekingsgerelateerde eiwitten in de groep van 500 W/m2;
- observeerden de onderzoekers dat deze percentages enkele uren nadat de blootstelling werd stopgezet, bleven stijgen;
- observeerden de onderzoekers dat de hoeveelheid ontstekingsgerelateerde eiwitten toenam afhankelijk van een toenemende intensiteit van de blootstelling. Zij waren dus talrijker in de meest intensief blootgestelde groep en minder talrijk in de minder intensief blootgestelde groep;
- sommige andere ontstekingsgerelateerde eiwitten werden in geen van de groepen gedetecteerd.
- observatie van de temperatuur van de huid: door de temperatuur van de blootgestelde huidoppervlakken voor elke groep continu te meten, observeerden de onderzoekers dat:
- de huidtemperatuur tijdens de blootstelling in elke blootgestelde groep verhoogd is;
- hoe hoger de blootstelling, hoe meer de temperatuur steeg, tot ongeveer 39°C (groep van 250 W/m2), 42°C (groep van 370 W/m2) en 45°C (groep van 500 W/m2).
Hierbij moet worden opgemerkt dat de gebruikte APD hoger is dan de drempelwaarden die worden aanbevolen door de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP in het Engels), een internationaal orgaan dat officiële drempelwaarden voor de blootstelling aan elektromagnetische velden vaststelt. Volgens de ICNIRP kunnen RF-EMV boven een APD van 200 W/m2 de weefseltemperatuur doen stijgen tot 41°C, wat gevaarlijk wordt voor het menselijk lichaam. De door ICNIRP aanbevolen drempel van blootstelling aan hoogfrequente RF-EMV voor het grote publiek is 20 W/m2, dus 10 keer lager. De APD die in dit onderzoek wordt gebruikt, zijn allemaal hoger dan deze aanbevelingen.
Het onderzoeksteam concludeert dat:
- de histologische veranderingen die in de groep van 500 W/m2 worden waargenomen, het gevolg kunnen zijn van de temperatuurstijging die zelf wordt veroorzaakt door de blootstelling aan 26,5GHz-qMMW;
- de blootstellingsdrempel vanaf dewelke een ontstekingsreactie wordt geactiveerd door 26,5GHz-qMMW tussen 370 en 500 W/m2 ligt;
- de huidige officiële drempels voldoende lijken om de algemene bevolking te beschermen tegen de mogelijke effecten op de huid van 26,5GHz-qMMW. Het beveelt echter aan het onderzoek op dit gebied blijven te verdiepen door verschillende blootstellingsfrequenties te bestuderen, door de blootstellingen met lagere intensiteit maar gedurende langere tijd te herhalen en effecten op andere orgaantypen te analyseren.
De onderzoekers wijzen erop dat deze resultaten betrekking hebben op rattenhuiden en niet direct toepasbaar zijn op mensen.
Over het geheel genomen lijkt deze studie goed te zijn uitgevoerd. Ze bevat een aantal kwaliteitscriteria die belangrijk zijn bij de uitvoering van dergelijke dierproeven. De aanwezigheid van een schijngroep zorgt er daadwerkelijk voor dat de verschillen die tussen de groepen waargenomen zijn, wel degelijk aan de blootstelling zijn toe te schrijven en niet aan andere elementen van de blootstellingsomgeving.
De “blinde” voorwaarde, gebruikt in de histologische analyses, zorgt ervoor dat de onderzoekers niet konden beïnvloed worden door hun eigen veronderstellingen over RF-EMV bij het beschrijven van de resultaten, omdat ze niet wisten welke individuen waren blootgesteld, of aan welke intensiteit. Er wordt echter niet gespecificeerd of de dieren ook “blind” zijn blootgesteld. Ten slotte maakt de aanwezigheid van een controlegroep, die bekend staat als een “negatieve” groep, het mogelijk de gegevens van groepen die aan basisdrempels zijn blootgesteld, te vergelijken.