Gezondheid
5G en gezondheid
Hoe gezond is 5G? Blootstellingslimieten en stralingsnormen beperken de impact op onze gezondheid. Om te begrijpen wat dat precies is, duiken we in de wereld van de elektromagnetische straling.
In deze studie hebben onderzoekers onderzocht hoe blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden (RF-EMV), zoals die worden gebruikt door onze mobiele telefoons (2G- en de nieuwe 5G-types), invloed kan hebben op de manier waarop ons lichaam warmte produceert en de vorming van bruine vetcellen. Bruin vet is een speciale vorm van weefsel dat calorieën verbrandt om warmte te produceren en helpt het lichaam zijn interne temperatuur in reactie op kou te handhaven. Deze cellen zijn dus belangrijk om zich aan te passen aan de kou. Ze hebben ook onderzocht of leeftijd, gezien het feit dat bruin vet vooral actief is bij de meeste jonge zoogdieren (waaronder ratten, zoals in deze studie, en mensen), of de duur van blootstelling aan RF-EMV deze effecten zou kunnen beïnvloeden.
Om de effecten te analyseren, hebben de onderzoekers de activiteit onderzocht van twee boodschapper-RNA's (of messenger RNA – “mRNA's”) die belangrijk zijn voor de vorming van bruine vetcellen. De PRDM16- en C/EBPβ-genen, kleine eenheden die een deel van ons genetisch materiaal (DNA) bevatten, werken als schakelaars: wanneer ze worden geactiveerd, produceren ze mRNA's, die vervolgens worden gebruikt om de eiwitten te maken die nodig zijn om cellen om te zetten in bruine vetcellen. Als de expressie (d.w.z. het proces waarbij de informatie uit het mRNA wordt gebruikt om een eiwit te maken) van deze mRNA's afneemt, betekent dit dat de genen minder actief zijn en het lichaam minder bruin vet produceert.
Onderzoekers hebben een studie uitgevoerd op ratten, die gekozen zijn omdat hun reactie op kou vergelijkbaar is met die van mensen. Zestig ratten, jonge (3 weken) en jongvolwassen (8 weken), werden verdeeld in 12 groepen van 5. Voor elke leeftijdsgroep werden zes groepen blootgesteld: er werden drie groepen gedurende één week en drie groepen gedurende twee weken blootgesteld aan RF-EMV. Elk van de drie groepen werd op verschillende wijze blootgesteld: (1) één groep aan 5G (3,5 GHz), (2) een andere aan 2G (900 MHz) en (3) één groep aan een ‘schijnblootstelling’. Bij deze schijnblootstelling moeten de niet-blootgestelde ratten onder dezelfde omstandigheden worden geplaatst als de blootgestelde maar dan zonder daadwerkelijke blootstelling (de dieren worden bijvoorbeeld in dezelfde hokken geplaatst, onder dezelfde omstandigheden, maar met het blootstellingssysteem uitgeschakeld). Dit zorgt ervoor dat een eventueel verschil tussen twee groepen toe te schrijven is aan de blootstelling en niet aan een andere parameter binnen de testomgeving die tussen de groepen zou verschillen. De ratten werden twee keer per dag gedurende een uur blootgesteld. Vervolgens analyseerden de onderzoekers in het bruine vet van ratten de activiteit van genen die betrokken zijn bij de productie van warmte en de aanmaak van nieuwe vetcellen.
De resultaten tonen aan dat er een aanzienlijke vermindering is van de activiteit van de onderzochte genen in cellen die zijn blootgesteld aan 5G-RF-EMV in vergelijking met cellen uit de schijngroep. Deze vermindering was aanzienlijk, namelijk 49% voor de eerste genetische schakelaar, het PRDM16-gen, en 32% voor de tweede, het C/EBPβ-gen, ongeacht de leeftijd van de ratten of de duur van de blootstelling. Andere genetische schakelaars die verband houden met de vorming van bruin vet vertoonden ook een afname na blootstelling aan 5G. Dit suggereert dat blootstelling aan 5G de vorming en werking van deze bruine vetcellen zou kunnen verstoren, waardoor het lichaam gevoeliger zou kunnen worden voor kou. Voor de warmteproductie werden er over het algemeen geen significante veranderingen vastgesteld voor de belangrijkste mRNA's van dit proces na blootstelling aan RF-EMV. Daarentegen leidden effecten die verband hielden met de leeftijd en de duur van de blootstelling aan 2G-RF-EMV tot een afname van de activiteit van een genetische schakelaar bij jonge volwassen ratten in vergelijking met jonge ratten. Een andere genetische schakelaar, die belangrijk is voor de warmteproductie als reactie op kou, vertoonde hogere niveaus bij jonge ratten die werden blootgesteld aan 5G en 2G na een week blootstelling, in vergelijking met ratten in schijnomstandigheden.
Deze studie voldoet aan bepaalde kwaliteitscriteria. Er is een schijngroep opgenomen, die aan dezelfde omstandigheden werd blootgesteld waardoor de effecten van de omgeving konden worden gecontroleerd. De nauwkeurige beschrijving van de blootstelling aan RF-EMV, met strenge meetmethoden, maakt het voor andere onderzoekers gemakkelijker om de resultaten te reproduceren. De intensiteit van de gebruikte RF-EMV komt overeen met onze werkelijke blootstelling in het milieu, wat de relevantie van de resultaten versterkt. Het onderzoek heeft echter ook belangrijke beperkingen. Er was geen blinde procedure, d.w.z. onderzoekers wisten welke ratten werden blootgesteld, wat onopzettelijk de resultaten kan beïnvloeden. Bovendien waren de groepen klein (5 ratten per omstandigheid), wat kan verklaren dat sommige effecten geen statistische significantie bereikten. Bovendien maken deze kleine aantallen het onmogelijk om rekening te houden met een zekere individuele variabiliteit tussen de ratten. De onderzoekers merken ook op dat genetische activiteit niet altijd de hoeveelheid eiwitten weerspiegelt. Er konden geen nauwkeurigere analyses worden uitgevoerd omdat er onvoldoende stalen waren, vooral bij oudere ratten. Dit is echter cruciaal om mogelijke biologische effecten te bevestigen. Ten slotte suggereren ze dat het nuttig zou zijn om de lichaamstemperatuur van de ratten tijdens de blootstelling te meten om beter te begrijpen of RF-EMV een koudegevoel veroorzaakt of dat het lichaam zijn temperatuur aanpast om dit te compenseren. Dit zou helpen om de directe effecten van RF-EMV te onderscheiden van de normale reacties van het menselijk lichaam.
Gelet op deze beperkingen moeten de resultaten met enige voorzichtigheid worden beschouwd. Er kunnen geen definitieve conclusies worden getrokken over een mogelijk verband tussen blootstelling aan 5G-RF-EMV en verstoringen in de vorming van bruin vet of gevoeligheid voor kou. Zoals onderzoekers vaak hebben benadrukt, zijn er nieuwe, grondigere en reproduceerbare studies nodig om deze resultaten te bevestigen of te weerleggen, temeer omdat dit een van de eerste studies is naar de mogelijke effecten van RF-EMV op de vetvorming.